Ik ben gek op lichamen. Nou ja, niet op alle lichamen, laten we eerlijk zijn. Maar op hoe een lichaam werkt, hoe het beweegt en hoe het presteert. Daar kan ik eindeloos gefascineerd naar kijken. Zeker als het om sport gaat. Want als je goed oplet, kun je bijna raden welke sport iemand beoefent, puur door naar hun lijf te kijken.
Neem Michael Phelps. Er is een foto van hem, gemaakt van onderaf terwijl hij de vlinderslag zwemt. Hij zweeft door het water als een rog, met zijn bovenlichaam breed en soepel, zijn handen als peddels, zijn voeten als de staart van een dolfijn. Je ziet ‘m en denkt: ja, logisch dat hij zoveel gouden medailles heeft gewonnen. Dit lichaam is gemaakt om te zwemmen. Of beter gezegd: dit lichaam is gevormd door eindeloos te zwemmen.
En daar zit ‘m de grap. Want een lichaam wordt niet alleen geboren voor een bepaalde sport, het wordt ook gevormd door die sport. Sprinters? Spierbundels met flitsende explosiviteit, gebouwd voor 10 à 20 seconden pure kracht. Vraag ze niet om een rondje extra, daar zijn ze niet voor gemaakt. Marathonlopers? Langer, slanker, met een longinhoud waar een windturbine jaloers op zou zijn. Ze rennen net zo lang tot iedereen om hen heen is ingestort.
Judoka’s? Kubussen. Echte, levende, spierbonkende kubussen. Je moet ze maar eens proberen omver te duwen. Basketballers en volleyballers? Lang, lichtvoetig, geboren en getraind om te springen en te mikken. En turners? Klein, explosief, lenig als een kat die nét niet van het aanrecht wil vallen.
Maar dan… de darters. Wat is daar nou precies het fysiologische voordeel? Die pijltjes wegen niks, en toch lijkt er een typisch ‘darterslijf’ te bestaan. Of ligt dat aan die andere functie die vaak met darten samengaat? Proost!
Ik vroeg me af: geldt dit principe – functie vormt, vorm bepaalt functie – ook voor de masseur? Jazeker! Want laten we eerlijk zijn, een goede masseur heeft een lichaam dat gebouwd is om topwerk te leveren.
Sterke voeten, zodat je stevig staat naast die massagetafel. Een stabiele romp, want anders sta je na een dag masseren krom als een banaan. Schouders, ellebogen en polsen die soepel en krachtig samenwerken, zodat elke massage precies goed voelt. En handen – stevige, maar zachte handen die precies aanvoelen wat nodig is.
Oren en ogen, om alle signalen van de cliënt op te pikken. Een scherpe tong, voor goede communicatie (en misschien ook voor een leuke babbel). En een brein dat snapt wat een lichaam nodig heeft – én wat het absoluut niet nodig heeft.
In mijn hoofd is er ruimte voor alles. Ruimte voor creativiteit, zodat ik met plezier verschillende behandelplannen kan bedenken en ruimte voor kennis over ziekten en aandoeningen, zodat ik altijd weet of masseren wel of niet mag. Het is een balans tussen gevoel en verstand, tussen het inventieve en het verantwoorde.


