Waarom een kapotte machine snel wordt gerepareerd, maar wanneer jouw lichaam rammelt, het zo lang duurt?
Stel je een wasmachine voor. Zo’n heerlijke, trouwe metgezel die je was doet terwijl jij een glas wijn drinkt en denkt: ‘wat een zegen, technologie’. Je stopt er je vieze was in, drukt op de startknop en hoppa, daar begint-ie aan zijn wiegende wals. Maar dan… drama! Een raar geluid, een trillinkje, een hapering.
Wat gebeurt er? Je googelt het probleem, belt een monteur en voordat je “centrifuge” kunt zeggen, staat er een man met een gereedschapskist op je stoep. Binnen de kortste keren draait je machine weer alsof er nooit iets gebeurd is. De wasmachine heeft nauwelijks de kans gekregen om écht stuk te zijn. Zo snel en efficiënt kan het gaan.
En dan ben jij er. Met dat rammeltje in je schouder. Die zeurende pijn in je rug. Of die vage hoofdpijn die blijft hangen als een onuitgenodigde gast op je feestje. Wat doe je? Wachten. En nog wat langer wachten. Misschien een paracetamolletje. Even googelen, maar dan verdwalen in filmpjes van schattige honden. En hopen. Vooral hopen dat het vanzelf overgaat.
Waarom doen we dat? Waarom rennen we als een malle als een machine kapot gaat, maar stellen we het uit als ons eigen lichaam begint te haperen? Misschien omdat we denken dat we het onszelf niet kunnen veroorloven. “Geen tijd om ziek te zijn.” Of: “Ach, gaat vanzelf wel over.” En als we dan uiteindelijk naar een dokter gaan, duurt het een eeuwigheid voor we de juiste hulp krijgen.
Ergens is het ook logisch. Een machine heeft een handleiding, een simpele storing kan worden verholpen met een nieuwe afdichting of een vers schroefje. Maar een mens? Dat is een wirwar van spieren, zenuwen, emoties, verleden, stress en misschien ook gewoon een gebrek aan slaap. Je kunt er geen moertje in draaien en klaar. Het heeft tijd nodig. Aandacht. Misschien zelfs een beetje liefde. En dat laatste, daar zijn we soms zuinig mee als het om onszelf gaat.
Stel je voor dat je een wasmachine behandelt zoals je jezelf behandelt: ‘Ach, hij draait nog wel even, ook al maakt-ie een raar geluid.’ Totdat hij er écht mee ophoudt. Tot de schade niet meer is te overzien. Zo gaan we vaak ook met ons eigen lijf om. We negeren de signalen, zetten het volume wat harder en hopen dat het niet echt stukgaat.
Maar weet je? Jij bent geen wasmachine. Geen apparaat met een simpele gebruiksaanwijzing. Jij bent een meesterwerk in wording. En meesterwerken kosten tijd. Dus als je rammelt, piept of kraakt: gun jezelf een monteur. Een beetje aandacht. Een beetje zorg. Want als jij weer lekker draait, dan draai je niet zomaar – dan swing je.


